Sate babi moslims

Ik snij nu waarschijnlijk een heel delicaat onderwerp aan: het geloof. En dan specifiek de islam, want Indonesië is het grootste islamitische land ter wereld. En als je de media moet geloven, dan is Indonesië aardig streng in de leer. We horen berichten over strenge sharia wetten in Aceh en Banten, over hoe Christenen vervolgd worden op de Molukken en op Sulawesi. En ja, af en toe worden we opgeschrikt door zo’n afschuwelijke bom die door zo’n waardeloze zelfmoordterrorist tot ontploffing wordt gebracht.

Geen wonder dus dat mensen me wel eens vragen of Indonesië nog wel veilig is. Of leuk.

Tsja. Wat zal ik ervan zeggen? Aan de ene kant is het zo dat de Islam een relatieve laatkomer is in de archipel. Ergens in de zestiende eeuw druppelde het geloof binnen, waarschijnlijk via de handel en de scheepvaart. Op dat moment was Indonesië overwegend hindoeïstisch, en daarvoor waren ze er ook al boeddhistisch geweest. En ja, ook het christendom heeft zijn sporen achtergelaten.

Geen wonder dus, dat ik bij verreweg de meeste Indonesische mensen die ik ken een tamelijk relaxte houding aangaande het geloof aantref. Hoofddoeken zie je weliswaar meer en meer, maar toch, het collectief geheugen van de Indonesiërs lijkt nog niet vergeten te zijn dat er een tijd was dat er geen moskeeën, imams of sharia waren. In elk geval was ik verbaasd om op Java en Bali te zien dat niemand echt moeite leek te hebben met het eten van sate babi of knapperige babi panggang. En ook de alcohol vloeide rijkelijk. Halal of haram; ach als maar lekker is dese. Een kennis van mij uit Solo zei zelfs letterlijk: ‘Ik denk echt niet dat het Allah iets kan schelen.’

Pragmatisch dus, harmonieus, tolerant. Dat zijn woorden die ik met de Indonesische kijk op islam associeer.

Toen we op Bali waren met een Indonesisch reisgezelschap (Vayatours!), zaten er ook een paar vroom lijkende moslims uit Sumatra in onze groep. Ze hadden alledrie de pelgrimage naar Mekka gemaakt, een ervan zelfs drie keer. Het trio werd door iedereen met diep respect bejegend. Ze baden regelmatig en weigerden haram voedsel aan te raken, wat betekende dat we helaas elke dag ayam goreng aten voor de lunch. Maar op Bali gebeurde er toch iets raars.We hadden de beroemde tempel Tanah Lot bezocht, en na het spitsroeden lopen tussen de verkopers zaten we weer in de bus. Maar waar waren de drie Sumatraanse moslim-meneren?

Op een gegeven moment was er commotie voorin de bus: het drietal buitelde hijgend en zwetend de bus in, en de chauffeur gaf meteen plankgas. Ik zag nog net dat er buiten een paar boze Westerse toeristen met vuisten zwaaiden en verwensingen toeriepen. Wat hadden de drie Mekkagangers immers gedaan? Ze vertelden het uit zichzelf, rollend en hikkend van het lachen. Ze waren naar het nabijgelegen naaktstrand gegaan, en vanuit de bosjes hebben ze foto’s van blote Europese dames gemaakt. Toen ze ontdekt werden zijn ze achterna gezet door een paar mannen. “Raar toch?” vonden ze. “Als ze hun waren uitstallen alsof het een marktkraam op de pasar is dan mogen wij toch gewoon kijken?”

Dat zulk gedrag nauwelijks betamelijk was voor vrome moslims maakte kennelijk niets uit. “Moeten ze maar niet zo open en bloot erbij liggen”, vond het drietal eensgezind.

Ik mag die relaxte moslims wel.

 

Derde generatie, één dimensie

Het is alweer een poosje geleden dat ik een Indisch stukje schreef, en daarop maakte gisteren een vriend mij attent. Was ik mijn Indische afkomst soms aan het verloochenen? Of was ik al helemaal uitgepraat over Indische thema’s? Je kunt toch niet eindeloos door blijven gaan met schrijven over tjebokflessen, pedis eten en trassi. Als ik eerlijk ben moet ik ook zeggen dat ik me altijd erger aan derdegeneratie-Indo’s zoals ik, die eindeloos dwepen met ‘Indië’ en zich daarop leegschrijven. Dan denk ik: wat heb jij nou helemaal aan Indisch-zijn meegemaakt. Ik hoef niet zonodig aan die veelheid van navelstaarderige egodocumenten bij te dragen. Van die zeikerige ‘ach en wee ik ben een kind van twee culturen’ bagger bestaat er al veel te veel.

Misschien ben ik ook wel zo iemand die zich niet zo snel met een enkel aspect van zijn achtergrond identificeert. Ik ben Indisch, ja, natuurlijk. Maar ook Hollands, Europeaan, Bollenstreker, Hagenaar, hoogbegaafd en -het zal niet waar zijn- ook nog homo. Allemaal dingen die samen de optelsom vormen met het antwoord MIJ, maar geen van al die onderdelen weegt zwaarder dan de andere. Simpel gezegd: ja, ik ben Indisch, maar ik ben nog zo veel meer dan dat.

Ach we komen ze allemaal wel eens tegen, van die eendimensionale mensen. Mensen die misschien wel kunnen multitasken, maar niet multi-zijn. Die alleen maar homo zijn. Of alleen maar veganist. Of alleen maar gereformeerd, ajacied, roodharig, linkshandig of Joods. Met andere woorden: bijzonder.

We zijn vast allemaal wel eens derdegeneratie Indo’s tegengekomen die alleen maar Indisch willen zijn, en niets anders. Ze zijn net zo tjampoer als ik, gewoon geboren in Zwammerdam met een Hollandse vader of moeder, maar ze lopen in batikshirts, roken kretek en praten petjoh alsof ze gisteren op de Willem Ruis vanuit Tandjoeng Priok zijn aan komen varen. Krontjongmuziek in huis, schilderijen van een huilende Balinese met grote tieten en karbouwen in sawa’s, en natuurlijk de zielsverpletterende geur van trassi die je bij de voordeur al tegemoet komt. Ze kennen alles van Tante Lien uit het hoofd en hun jaarkalender sleept zich van Pasar Malam -nee, Tong Tong Fair zal ik het nooit noemen- naar Indiëherdenking en weer terug.

bali-painting-woman

Terlaloe djelek, zo’n blotetietenschilderij uit Bali.

Ik snap dat nooit zo goed. “Je bent toch ook half Hollands?” vraag ik dan. Maar dan is een gekwetste blik mijn antwoord, soms gevolgd door een “Van alle mensen dacht ik toch wel dat uitgerekend jij me zou begrijpen.” Nou, nee dus. Ik begrijp niet zo veel van dingen als trots en schaamte als het gaat om iets wat je gewoon BENT. Trots zijn op wat je dóet: ja. Je soms ervoor schamen, dat kan ook. Maar trots zijn op iets waarvoor je helemaal niks hebt gedaan, dat begrijp ik niet.

Nou ben ik ook niet iemand om daar dan over te oordelen, of dat iemand te misgunnen. Dus als mijn bijna lelieblanke vriend zichzelf als volbloed Javaan wil gedragen, en als dat hem gelukkig maakt, dan vind ik dat prima. Het wordt alleen een andere zaak als van mij hetzelfde verwacht wordt. Als ik dus wc-papier verkies, gek word van krontjong, geen blotetietenkunst wil, doerian verafschuw en de vijftiende augustus als gewoon een dag zie, dan maakt mij dat niet minder Indisch. Ik ben dan wel derdegeneratie Indo, maar dat maakt mij niet eendimensionaal.

Zo. En nu ga ik een broodje eten. Met pepesan van tonijn. Half Hollands en half Indisch. Zo ben ik.

 

Patty’s poep

Discriminatie, het is een onderwerp waarover we nooit uitgepraat raken. En laat ik maar meteen duidelijk zijn: hoewel het best wel iets zal zijn dat met groepsgedrag te maken heeft is het nooit goed te praten om iemand anders te beoordelen op grond van iets waar hij of zij niets aan kan doen. (Als je iemand beoordeelt op iets waar hij WEL wat aan kan doen, dan is dat immers geen discriminatie. Ik heb ooit eens een sollicitant afgewezen omdat ze een neusring had en weigerde die af te doen voor haar werk als journalist. En dat zie ik dus niet als discriminatie: ze is niet met die neusring geboren en ze kiest ervoor om hem niet uit te doen; dan moet je ook de gevolgen van die keuze aanvaarden. En zo is het en niet anders.)

Maar ik moet eerlijk zeggen dat er door Indo’s behoorlijk gediscrimineerd wordt, en ik maak me er ook schuldig aan. Positieve discriminatie, wel te verstaan. Ik weet niet hoe het met u is, maar zodra ik zie of merk dat ik met een Indo te maken heb vind ik die persoon automatisch twee keer zo aardig. En dat is meestal wederzijds: wildvreemde Indo’s die elkaar op de Pasar Malam tegenkomen hebben binnen de kortste keren gesprekken alsof ze elkaar al hun hele leven kennen. Het voelt gewoon vertrouwd. Dat accentje, de Aziatische ogen, die enorme niet te onderdrukken liefde voor lekker eten… het klikt meteen. Ik heb voor mijn werk vaak met Indo’s te maken gehad, zonder dat van tevoren te weten. Tijdens zo’n gesprek komt dan steevast de vraag: ‘Maar ben jij Indisch?’ En vervolgens worden er recepten uitgewisseld en restauranttips gemaild. Zo gaat dat.

Het omgekeerde gebeurt echter ook. Ja, lieve lezers, ik kom wel eens een Indo tegen die helemaal niet leuk of aardig blijkt te zijn. Die on-Indische trekjes vertoont, ‘Hollands gedrag’ zelfs. Op de penning, ongezellig, ongastvrij: één koekje bij de thee en dan gaat de trommel dicht. Indo’s waarvoor je je gewoon schaamt. Ik had een collega die zo was, en ik geloof zelfs dat ik het hem kwalijk nam dat hij Indisch was, en desondanks zo’n enorme eikel. Was hij een gewone Hollander geweest, dan had zijn humorloze kille horkerigheid me veel minder gestoord.

Het ergste vind ik Bekende Indische Nederlanders die zich on-Indisch gedragen. Natuurlijk dragen we Wieteke, Anneke, Sandra en Lonny allemaal op handen. Terecht. Maar… Patty Brard is in Nieuw-Guinea geboren en dochter van een Indisch – Nederlands paar. Ze is, om het maar bot te stellen, precies zo Indisch als ik. En dan ook nog ‘daar’ geboren. Ze heeft er zelfs elf jaar gewoond.

patty

Patty Brard’s grootste talent: in de media blijven ook al weet niemand waarom.

We zouden trots op haar moeten zijn, met haar roemrijke Luv-verleden en al haar successen, en het feit dat ze, wat je ook van haar vindt, er toch telkens weer in slaagt om haar gebotoxte gezicht op de schermen en in de bladen te krijgen.Maar, lieve lezers en lezeressen, we schamen ons allemaal wezenloos voor Patty. Als collega’s zeggen ‘Maar Patty Brard is toch ook Indisch?’, dan kijken we bedremmeld naar onze schoenen, of we wenden een hoestbui voor. Aan haar hebben we namelijk het absolute dieptepunt van de Nederlandse tv te danken. Het -273 graden absolute vriespunt. Ooit deed ze een programma over hoe zij en een aantal andere ‘celebrities’ op de gezonde toer ging in een villa op Mallorca. Bij dat regime hoorde ook een klysma, en ik had de pech om net de tv aan te zetten toen de camera inzoomde op drie diepbruine glimmende keutels in een geel plastic vergiet. De drollen van een bekende Nederlander, nee, als je dat gezien hebt weet je dat er nooit meer iets ergers op tv kan komen. Patty’s poep is het treurigste dat ik ooit heb mogen aanschouwen.

Petty's poep in een geel vergiet, nee zoiets vergeet je nooit.

Petty’s poep in een geel vergiet, nee zoiets vergeet je nooit.

Nog een paar Indische ‘schaamnamen’ noemen? Van Indo’s van wie u dat misschien niet wist, en die we eigenlijk het Indo-zijn gewoon niet gunnen? Zet u schrap: Emile Ratelband -tsjakkaaa- is een Indo. Sylvie van der Vaart -voetbalvrouw- is een Indische. En ja, lieve mensen, ook onze premier Mark Rutte heeft een Indische vader.

Adoeh, zelfs onze premier is een halve Indo!

Adoeh, zelfs onze premier is een halve Indo!

Laat het even bezinken. Maar gelukkig hebben we altijd nog Louis Couperus. En Wieteke, Anneke, Sandra, Lonny, Adriaan, Caro, Thom, Dinand, Riem, Rein, Ernst, Jamai, Kim-Lian en nog tientallen Bekende Indische Nederlanders waar we ons NIET voor hoeven te generen.

Mijn Indische tante Jane

Yvonne Keuls schreef ooit eens een boekje ‘Indische Tantes’. Best een leuk boekje op zich hoor, al veranderde die mening drastisch toen ik La Keuls ooit eens ontmoette in het Indisch Huis. Waar maar al te duidelijk was dat mevrouw de gevierde schrijfster eigenlijk alleen geinteresseerd was in het verdienen van centjes, en haar Indische medemens alleen zag als weerloze doelgroep voor haar sluwe verkooptactieken.

De druppel die de emmer deed overlopen was dat een recept in het door Keuls uitgebrachte kookboek gewoon fouten bevatte. Zelfs mijn culinair hoogbegaafde tante Anneke kon er geen fatsoenlijke bika ambon van maken. Als geel beton bleven de baksels in de vorm zitten. Toen La Keuls ooit bij het Indisch Huis was om kaarten voor haar theatervoorstelling te pluggen, sprak mijn moeder haar heel dapper aan. Dat haar kookboek leuk was, maar dat er toch iets niet klopte aan haar recept. “Nee hoor”, glimlachte de gelauwerde bestsellerschrijfster minzaam en vals tegelijk. “Ik denk eerder dat u iets verkeerd doet”.

Wie tegen een Indische zegt dat ze niet kan koken, die maakt meteen een vijand voor het leven. Nog diezelfde middag gingen ‘Jan Rap en zijn maat’, ‘ Floortje Bloem’ en de Indische tantes in een plastic tasje naar de kringloopwinkel. Het gewraakte kookboek ging resoluut de oudpapiercontainer in. “Wat denkt dat stomme mens wel”, briesten mijn moeder en een eveneens diep gekrenkte tante Anneke bij de thee. En daarmee was Yvonne Keuls afgeserveerd.

Maar ik wil het vandaag over een van mijn Indische tantes hebben. Een tante die tevens familie was overigens, wat niet altijd gebruikelijk is: Indische kinderen noemen vrijwel elke kennis van oudere generaties ‘oom’ of ‘tante’. Wat nogal een schok was voor de Hollandse moeder van mijn beste vriendje toen ik haar opeens in een aanval van naastenliefde ‘tante Ieneke’ noemde. Haar zoontje noemde mijn moeder nog jarenlang ‘mevrouw de moeder van Willem’.

Tante Jane was de een na jongste nicht van mijn moeder, de dochter van tante Tes. Samen woonden ze in Zuid-Limburg, en de combinatie van Indische gastvrijheid met Limburgse levenskunst was gewoonweg onweerstaanbaar. Waar tante Jane ook kwam, brak spontaan een feestje los. Een kleine vrouw met ontembaar kriting haar waar menig kapster om in een rusthuis was beland,

Als kind was ze al voor geen kleintje vervaard. En dat wisten mijn oom en mijn moeder maar al te goed. Op een dag zaten ze allemaal in Batavia aan tafel te eten, toen de Chinese buurjongen zijn brutale snuit over de schutting stak. Hij liep gewoon rond onder het eten, een kom bamisoep in de ene hand en twee eetstokjes in de andere. De brutaliteit. Mijn moeder en oom kookten van woede om deze provocatie, en dus bogen ze zich over kleine Janey en fluisterden haar wat in het oor. Prompt sprong Jane van haar stoel, liep de tuin in, en raapte iets op. En vervolgens wandelde ze recht op de nog altijd glurende buurjongen af, en brutaal ging ze recht voor hem staan. De buurjongen keek een beetje verbaasd naar de parmantige dreumes… en kreeg pardoes een kleffe hondendrol in zijn verblufte gezicht, die met een plonsje in de bamisoep viel. Natuurlijk stond er drie minuten later een woedende Chinese buurman op de stoep om verhaal te halen. Wie heeft dat gedaan, wilde mijn oma weten. Hans en Peggy aarzelden geen seconde. “Janey!” wezen ze. En inderdaad, de poep zat nog aan Jane’s handjes. Het moge duidelijk zijn wat er gebeurde. Hans en Peggy kregen het pak rammel van hun leven en lieve kleine gemanipuleerde Jane zat er als een engeltje bij.

Tante Jane had ook bepaalde krachten. Ze kon altijd al geweldig pidjitten, en later bleek ze met behulp van magnetisme mensen echt van allerlei klachten af te kunnen helpen. Hoe het helemaal werkte wist ze zelf eigenlijk ook niet, iets met chakra’s en meridianen, het was vrij onduidelijk. Maar ze hielp wel mijn neef Jeroen van een dagenlang zeurende migraine af door alleen maar zijn voorhoofd aan te raken en er iets bij te prevelen. “Dat is de Ki-kracht”, zei tante Jane stellig. “De wie-kracht tante?” “Ki. Ik zal het je laten zien.” Tante Jane haalde diep adem en sloot de ogen. Ze ging een beetje wijdbeens staan, met haar voeten naar binnen gedraaid, en met haar armen beschreef ze een wijde cirkel voordat ze haar handen ineen sloeg, midden voor haar borst. “Ik sta nu in de Ki-stand”, verklaarde tante Jane plechtig. “Alle kracht van het universum is nu gebundeld in mijn hartchakra. Niets of niemand kan mij uit balans brengen. Ik sta geworteld in de aarde en de kosmische energie vloeit door mij heen. Geef me maar een duw.” “Pardon, tante?” “Probeer me maar om te duwen”, zei tante Jane stellig. “Je zult zien dat het niet lukt.” Neef Jeroen keek me vragend aan, en ik gaf hem een knikje, zo van ‘doe maar’. Luttele seconden later stuiterde tante Jane spectaculair over het perron –ik had nog niet verteld dat we haar op de trein naar Heerlen aan het zetten waren- van Den Haag CS. Haar handtas viel open en de inhoud rolde alle kanten uit. Een paar mensen, die argeloos op de trein stonden te wachten, hadden de schrik van hun leven. Neef Jeroen stond er ook lijkbleek bij, maar mijn broer en ik stikten van de lach terwijl we de verfomfaaide tante Jane overeind hielpen. “Ach”, zei ze onverstoorbaar, terwijl ze het stof van haar jas veegde, “de bovenleidingen hebben natuurlijk mijn magnetisch veld verstoord.”

Een paar jaar geleden is ze zomaar overleden, mijn lieve tante Jane. Er zomaar tussenuit geknepen, veel te jong nog. Al haar levenskracht en energie is teruggevloeid naar de oerbron waar we allemaal vandaan gekomen zijn. En het lijkt soms wel alsof de sterrenhemel net iets mooier twinkelt en flonkert dan voorheen.

Een bizar bakje troost

zieke indo

Echte Indo’s zijn allemaal verzot op koffie. De hele dag door wordt het verkwikkende drankje gedronken, en dan heb ik het nog niet over de Kopiko koffiesnoepjes. Vaak gaat het om Kopi Toebroek: extra fijngemalen koffie tegelijk met de suiker in een beker doen, kokend water erop, doorroeren, even wachten, klaar! Niks geen gedoe met filterzakjes, pruttelende apparaten of sissende Senseo’s. Simpeler bestaat niet. Al zal menigeen door schade en schande geleerd hebben dat het drinken van een Kopi Toebroek niet zo eenvoudig is als het maken ervan. De reflex om voor het drinken nog even te roeren moet bijvoorbeeld echt bedwongen worden. De koffieprut moet namelijk eerst op de bodem van je beker tot rust komen. We kennen allemaal wel voorbeelden van mensen die een slok koffie nemen en je vervolgens met zwartbespikkelde tanden toelachen.

Maar net zo makkelijk drinken Indo’s oploskoffie, heb ik gemerkt. Toen ik bij mijn tante in Jakarta logeerde vroeg ze me de eerste ochtend of ik koffie wilde. Nou lekker, dat ging er best in. Vervolgens pakte ze een grote pot Moccona, een nog grotere pot poedermelk en een pot zoetstof. Alleen het water was geloof ik wel echt, al het andere was gevriesdroogd. Ach ja, het is even wennen maar ik durf nu rustig toe te geven dat ik liever oploskoffie drink dan Roodmerk uit een druppelmachine. Of Senseo nep-espresso. Of die dure meuk van Starbucks met die chemische smaakjes eraan. Of… enfin u begrijpt het wel. Bij mij thuis komt de koffie ófwel uit de George Clooney-machine, óf uit de oplospot van Marks & Spencer. En heel soms dan Kopi Toebroek, al smokkel ik wel door zo’n Franse cafétière te gebruiken met zo’n filter dat je naar beneden duwt. Veel makkelijker en nooit koffieprut op je voortanden.

Nou komt er uit Sumatra een koffiesoort die over de hele wereld beroemd, of beter gezegd: berucht is. Kopi Luwak. Zelfs Oprah Winfrey had het erover in haar show, en dat zegt toch wel wat. De luwak is een soort das-achtig beest, dat niets liever doet dan zijn buikje rond eten aan de bessen van de koffiestruik. Maar zoals het een echte Indo betaamt is de luwak enorm kieskeurig als het om eten gaat. Hij kiest dus alleen de allerbeste en sappigste koffiebessen. Die ondergaan vervolgens een speciale behandeling in de maag en het darmkanaal van de luwak met allerlei maagzuren en enzymen… en vervolgens poept het beestje de koffiebonen weer uit als een soort mueslireep.

kopi_luwak_by_tanidareal-d5xp0hp

De Luwak is een echte koffiekenner

Díe uitgepoepte bonen, dat is Kopi Luwak. Koffie van de allerbeste koffiebessen, gemarineerd in maagzuur en darmsap van een kieskeurig knaagdier, en vervolgens met de hand uit de poep gezeefd. Het schijnt het verrukkelijkste van het lekkerste te zijn, koffiekenners draaien met hun ogen weg en zakken met een natte onderbroek onder de bank als ze dit drinken. Schijnbaar. Het is ook waanzinnig duur: voor een half pond kom je prijzen tegen van 100 tot wel 500 dollar.

En nou heb ik dus een vriendin in Melbourne, een echte Australische, die helemaal niet van koffie houdt. Ze bestelt een glas warme melk en daar doe ik dan twee theelepels van mijn koffie in. En zes klontjes suiker. Ik zweer het: zo drinkt zij haar ‘koffie’. Laat nou uitgerekend deze koffiebarbaar een pak Kopi Luwak cadeau gekregen hebben… En dat gaf ze dus maar al te graag aan mij. Het staat nu al een paar maanden, vacuüm verpakt dus het blijft goed, naar me te kijken vanaf de voorraadplank in de keuken. ‘Maak me open!’ roept het. ‘Drink mij! Ik ben heerlijk! Ik ben uniek!’. Maar ik negeer de lokroep, net zoals ik de ingevroren haggis negeer die ik ooit uit Schotland meebracht en sindsdien niet durf te eten.

Ik denk dat ik mijn Kopi Luwak maar op Marktplaats ga verkopen. Voor 50 euro mag het weg. Wie biedt?kopi

 

Street food: het beste eten ter wereld

Ondergetekende op Jalan Alor in Kuala Lumpur

Ondergetekende op Jalan Alor in Kuala Lumpur

Een programma als Masterchef zou volgens mij in Indonesië nooit aanslaan. Koken als wedstrijd? Het idee alleen al. Koken, en samen eten is in het Verre Oosten in de eerste plaats een sociaal gebeuren. Het is bedoeld om mensen bijeen te brengen, niet om onder te verdelen in winnaars en losers. Dat bevalt me wel. Ik geloof dat ik het Aziatische gen heb geërfd als het om competitief zijn gaat. Kort gezegd: het boeit me voor geen ene meter. Als er winnaars zijn, zijn er namelijk ook verliezers. En ik vond het als kind al leuker als iedereen zich happy voelde, niet alleen het kind dat won. Ik liet dus best regelmatig iemand anders winnen bij een spelletje. Gewoon, omdat ik ze dat blije gevoel ook gunde.

Je zult daarom in Indonesië ook geen Michelinsterrenrestaurants aantreffen. En als die er al zijn, dan gaan er toch voornamelijk buitenlanders heen. In Indonesië (en in de rest van het Verre Oosten!) ga je niet per se bij een restaurant eten. Je bedenkt eerst wat je wilt eten, en dan pas waar je naartoe gaat. In Europa doen we dat precies omgekeerd. We besluiten om bij Chez Truus te gaan eten, of bij Maison Schuddebeurs, en dan leveren we ons maar over in handen van de befaamde kok. En dan kan het best zo zijn dat Truus ziek is en haar sous-chef achter de pannen heeft gezet, of dat de chef van Maison Schuddebeurs een totale off-day heeft. Het blijft, met andere woorden, altijd iets van een gok om in het Westen uit eten te gaan.

Pecenongan staat blauw van de rook

Pecenongan staat blauw van de rook

Zoniet in Jakarta of Kuala Lumpur of welke metropool dan ook. ‘Wat wil je eten?’ vroeg mijn tante me toen ik voor het eerst in Jakarta was. Nou, ik had wel zin in saté. Meteen werd de hele familie in drie auto’s geladen, en vertrokken we naar de befaamde Jalan Pecenongan, die blauw stond van de rook en waar je de beste sate van je leven eet. En zo is het met alles. Heb je zin in soto? Dan is Pak Yus het enige adres, en dus zit je weer een uur in de auto op weg naar een onooglijk eettentje in een buitenwijk. Daar maken ze maar één gerecht, maar dat maken ze dan ook wel zo godgruwelijk perfect dat je voor een paar euro de beste maaltijd van je leven hebt.

Jordan-Street-Night-Market-Food-1

Temple Street in Hong Kong

Street food: er is niks lekkerder dan dat. Zo heb ik me in Hong Kong helemaal gek gegeten aan de krokante inktvis met peper en zout, die al vier generaties door dezelfde familie op de Temple Street market wordt gemaakt, en waar geen Librije of Noma of noem al die pretentieuze poenige declarabelententen maar op tegenop kan. Lemon chicken? Ik zou er meteen voor naar Kuala Lumpur willen vliegen om het daar in de Jalan Alor te eten, overspoeld met ijsthee. In het Verre Oosten heb je talloze van die pretentieloze restaurantjes waar ze één enkel gerecht beter maken dan wie dan ook ter wereld. Geweldig.

Even terzijde: nou háát ik de Westerse trend om street food op te sjieken en binnenshuis te halen. En vooral om dan achttien euro neer te tellen voor diezelfde lekkere zuur-hete garnalensoep (tom yam koeng, voor de kenners) die in Bangkok op straat twee euro kost. Alleen omdat een of andere nuf het in een porseleinen bakje serveert! Nee hoor, street food moet op straat blijven.

Stel dat we dat in Nederland nou ook zo leerden van street food te genieten. Dus niet langer een chefkok die dertig dingen op het menu zet waarvan je maar moet hopen dat alles even lekker is, maar een pure specialist, die één ding subliem kan klaarmaken. En dan onze buik laten beslissen waar we willen eten, en niet onze portemonnee. De spaghetti-met-kaas bij Impero Romano. Patatje oorlog bij Bram Ladage. Leeuwenkoptahoe bij Sing Kee.

buburHet heeft wel risico’s, zeker als je bij een gastvrije familie als de mijne verblijft. Zo vroeg een neef me om een uur of elf ‘s avonds eens of ik zin had in fruit. Nou, een paar lekkere duku’s zouden er wel in gaan. Dacht je dat dat fruit uit de koelkast kwam? Welnee. En hup! Daar ging de hele kandang koplak weer de auto’s in en reden we naar Glodok om fruit te kopen. En dat was nog niet eens het gekste. Nee, dat was toch die neef die, vlak nadat we aangekomen waren, om halfzes in de ochtend al aan de deur stond om te vragen of we zin hadden in boeboer ayam. Nou, geeuweden we, dat wilden we best wel proberen… En ja hoor, daar zaten we al in de auto, want boeboer eet je ergens aan de Jalan Mangga Besar in Jakarta lekkerder dan waar dan ook. Met een rauw ei erin en een flink stuk darm!

Op dat soort momenten begint mijn Hollandse helft opeens heel erg om een broodje kaas te roepen. Laten ze dat nou nérgens in Jakarta verkopen…